Openbaring - De verheerlijkte Christus

Gepubliceerd op 29 september 2026 om 13:53

De vorige keer ben ik geëindigd met het beeld van de vijgenboom. Aan de vijgenboom kunnen we zien in welke tijd we leven. Wanneer de takken zacht worden en de bladeren beginnen uit te lopen, weten we dat de lente eraan komt.

De vijgenboom wordt in het Oude Testament regelmatig met Israël verbonden. Daarom moeten we naar Israël kijken om iets te kunnen begrijpen van de tijd waarin we leven. Wanneer we willen begrijpen wat er in deze tijd gebeurt, moeten we letten op wat er met Israël gebeurt.

Daarnaast wil ik vandaag naar Jeruzalem kijken. Daarmee ontstaat een beeld van de geestelijke gesteldheid van de wereld waarin wij leven.

Op dit moment staat er in Jeruzalem, op de plaats waar vroeger de tempel stond en die de Heer het huis van Zijn Vader noemde, een islamitisch heiligdom. Op dat gebouw staan woorden die benadrukken dat God één is en geen Zoon heeft. Daarbij worden verschillende teksten uit de Koran aangehaald.

Op het eerste gezicht klinkt dat misschien heel nobel. Geloven wij immers ook niet dat er één God is? Het verschil zit echter in wat daarmee wordt bedoeld. Wanneer een moslim zegt dat God één is, bedoelt hij daarmee dat God niet meer dan één Persoon is en dat God geen Zoon heeft.

Binnen de islam mag je veel over Jezus geloven. Men kan geloven dat Hij zondeloos was en dat Hij meer was dan een gewone profeet. Maar dat Hij werkelijk de Zoon van God is, mag volgens de islam niet worden geloofd. Daarmee staat de islam op een fundamenteel andere positie dan het christelijk geloof.

Waar de Bijbel zegt dat er één weg tot God is en dat die weg door de Heer Jezus Christus loopt, wordt dat door de islam juist ontkend.

Deze antichristelijke denkwereld, waarin de Zoon wordt geloochend en daarmee ook de Vader, krijgt in de wereld steeds meer ruimte. Soms zien we zelfs binnen kerken ruimte ontstaan voor gedachten die hiermee overeenkomen.

Daarom is het belangrijk om helder te blijven over Wie de Heer Jezus is. Hij is de Zoon van God. Sterker nog: Hij is God Zelf. Hij heeft alle macht ontvangen in de hemel en op de aarde. Dat is ook wat we in Openbaring 1 opnieuw tegenkomen.

Daniël en Openbaring

Om Openbaring goed te begrijpen, is het belangrijk om te beseffen dat dit boek niet losstaat van de rest van de Bijbel. Openbaring sluit voortdurend aan bij de profeten van het Oude Testament. De verschillende Bijbelboeken hebben elkaar nodig.

Je begrijpt Openbaring beter wanneer je de profetieën van het Oude Testament kent. Tegelijkertijd helpt Openbaring om de profetieën uit het Oude Testament op hun juiste plaats in de tijd te zetten.

Daarom is Daniël 7 een belangrijk gedeelte om naast Openbaring 1 te leggen.

Daniël schrijft vanaf vers 9:

“Ik keek toe totdat er tronen werden geplaatst, en de Oude van dagen zette Zich neer. Zijn gewaad was wit als sneeuw en het haar van Zijn hoofd als zuivere wol. Zijn troon bestond uit vuurvlammen en de wielen ervan waren laaiend vuur. Een rivier van vuur stroomde en ging voor Zijn aangezicht uit.”

Vanaf vers 13 lezen we:

“Ik keek toe in de nachtvisioenen, en zie, er kwam met de wolken van de hemel Iemand als een Mensenzoon. Hij kwam tot de Oude van dagen en men deed Hem voor Zijn aangezicht naderbij komen. Hem werd gegeven heerschappij en koningschap en alle volken, natiën en talen moesten Hem vereren. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij die Hem niet ontnomen zal worden en Zijn koningschap zal niet te gronde gaan.”

Deze beelden uit Daniël komen op een opvallende manier terug in Openbaring.

Johannes op Patmos

Johannes schrijft:

“Ik, Johannes, die ook uw broeder ben en deelgenoot in de verdrukking en in het Koninkrijk en in de volharding van Jezus Christus, was op het eiland genaamd Patmos, omwille van het Woord van God en het getuigenis van Jezus Christus.”

Vervolgens zegt hij:

“Ik was in de geest op de dag des Heeren en ik hoorde achter mij een luide stem, als van een bazuin, die zei: Ik ben de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste. En wat u ziet, schrijf dat op een boekrol en stuur het aan de zeven gemeenten die in Asia zijn: naar Efeze, naar Smyrna, naar Pergamus, naar Thyatira, naar Sardis, naar Filadelfia en naar Laodicea.”

Johannes draait zich om, om de stem te zien. Dan ziet hij zeven gouden kandelaren en in het midden daarvan Iemand als de Zoon des mensen.

Zijn beschrijving is indrukwekkend:

“Zijn hoofd en haar waren wit als witte wol, als sneeuw, en Zijn ogen waren als een vuurvlam. En Zijn voeten waren blinkend koper, gloeiend gemaakt in een oven, en Zijn stem klonk als het geluid van vele wateren.”

Hij heeft zeven sterren in Zijn rechterhand. Uit Zijn mond komt een tweesnijdend scherp zwaard en Zijn gezicht is als de zon die schijnt in haar kracht.

Wanneer Johannes Hem ziet, valt hij als dood aan Zijn voeten. De Heer legt Zijn rechterhand op hem en zegt:

“Wees niet bevreesd; Ik ben de Eerste en de Laatste, en de Levende. Ik ben dood geweest en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels van het rijk van de dood en van de dood zelf.”

Daarna krijgt Johannes de opdracht:

“Schrijf wat u hebt gezien, wat is en wat hierna zal geschieden.”

De Heer legt vervolgens Zelf uit dat de zeven sterren de engelen van de zeven gemeenten zijn en dat de zeven gouden kandelaren de zeven gemeenten voorstellen.

Hoofd en lichaam

In de vorige studie kwam al naar voren dat het Nieuwe Verbond anders van karakter is dan het verbond dat God met Israël sloot. Het kan niet eenvoudig worden vergeleken met een tweezijdig huwelijksverbond tussen man en vrouw. Het Nieuwe Verbond heeft een ander karakter. Het kan eerder worden vergeleken met de verbinding tussen een hoofd en een lichaam.

Wij zijn samen met de Heer Jezus tot één nieuwe mens gemaakt. Daardoor geldt het principe dat wij delen in wat aan Hem gegeven is.

De Heer Jezus is Koning en Priester. Ook wij worden koningen en priesters genoemd en mogen delen in wat Hij heeft ontvangen. Dat principe zien we ook in Openbaring 1 terug.

De zeven gouden kandelaren

Wanneer Johannes zich omdraait, ziet hij eerst zeven gouden kandelaren. Dat zijn de gemeenten. In het midden daarvan staat de Heer Jezus.

Dat beeld doet denken aan de woorden van de Heer:

“Waar twee of drie in Mijn Naam bijeengekomen zijn, daar zal Ik in het midden zijn.”

De Heer Jezus staat in het midden van de gemeenten.

Later in Openbaring komen we bij Laodicea. Daar staat de Heer Jezus buiten de deur en zegt Hij:

“Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop.”

Wanneer iemand opendoet, zal Hij met hem maaltijd houden.

Daaruit blijkt dat er binnen een kerkelijke gemeenschap mensen kunnen zijn die daadwerkelijk gehoor geven aan de roepstem van de Heer Jezus. Het gaat uiteindelijk niet om de naam van de kerkelijke omgeving waarin iemand zich bevindt, maar om de vraag of iemand naar Hem luistert.

De geestelijke toestand van ons land

Laodicea kan ook worden gebruikt als een beeld om na te denken over de geestelijke toestand van ons land.

Nederland heeft van huis uit nog veel normen en waarden die hun oorsprong vinden in het christelijk geloof. Tegelijkertijd heeft onze welvaart ons niet vanzelf ontvankelijker gemaakt voor God. God is voor veel mensen steeds minder belangrijk geworden. We zijn ervan overtuigd geraakt dat we het zelf wel kunnen redden.

Als het gaat om onze liefde voor de Heer Jezus, zijn we misschien niet volledig koud, maar ook niet werkelijk warm.

We kunnen ieder jaar naar de Passion kijken en onder de indruk raken van de emoties en het verhaal rond Jezus. Zijn persoon blijft interessant. Maar wanneer vervolgens wordt gevraagd of iemand werkelijk in Hem gelooft, kan het antwoord zijn: “Nee, eigenlijk geloof ik helemaal niets van.”

Dan staat de Heer Jezus letterlijk buiten de deur.

Ook tijdens evangelisatiewerk heb ik dat ervaren. Mensen konden zichtbaar geraakt worden door wat ik vertelde, maar aan het einde van het gesprek kreeg ik soms een schouderklopje met de woorden: “Fijn voor jou.” Vervolgens ging men zonder God en zonder de Heer Jezus verder.

Dat is een werkelijkheid waarin wij vandaag leven. Je mag veel zeggen en mensen kunnen daar zelfs naar luisteren, maar steeds vaker lijkt het erop dat niemand meer gelooft dat er werkelijk waarheid bestaat.

Iedereen heeft zijn eigen waarheid. We zijn zo flexibel geworden dat we gemakkelijk met de waarheid en emoties van een ander kunnen meegaan en daarna weer met onze eigen waarheid verdergaan.

Juist daarin zit een gevaar. Wanneer we geloven dat er maar één weg tot God is, namelijk door de Heer Jezus Christus, moeten we dat ook werkelijk durven zeggen.

Deelgenoot in de verdrukking

Johannes noemt zichzelf een broeder en mededeelgenoot in de verdrukking.

Dat is begrijpelijk. Johannes zat gevangen op Patmos en was daar in zekere zin monddood gemaakt. Maar hoe meer iemand getuigt van het feit dat er maar één weg tot God is en dat deze weg de Heer Jezus Christus is, hoe meer hij tegen weerstand kan aanlopen.

Daarmee kan iemand ook deelgenoot worden in de verdrukking.

Verdrukking kan volharding uitwerken wanneer die verdrukking ervoor zorgt dat iemand zijn vastheid zoekt in Gods Woord. Dat is de vorm van verdrukking die iemand dichter bij God kan brengen.

Johannes zat op Patmos, maar zijn omstandigheden bepaalden niet wat God met hem kon doen. Hij was zelfs niet afhankelijk van de tijd waarin hij leefde. Johannes werd in de geest meegenomen naar de dag des Heeren.

De dag des Heeren

De dag des Heeren moet hier niet simpelweg worden opgevat als de zondag.

Door de geschiedenis heen is de opstandingsdag, de eerste dag van de week, in de kerk de dag des Heeren genoemd. Wanneer we echter kijken naar de oudtestamentische profeten, zien we dat de dag des Heeren vooral betrekking heeft op een toekomstige dag die begint met oordeel.

Johannes wordt in de geest meegenomen naar de toekomst.

Daar hoort hij een stem die klinkt als een bazuin. Er staat niet dat de stem een bazuin ís, maar dat hij klinkt als een bazuin. Johannes probeert iets wat hij hoort te vergelijken met iets wat hij kent.

Deze stem is de stem van de Heer Jezus. Later, in Openbaring 4, klinkt dezelfde stem opnieuw wanneer tegen Johannes wordt gezegd:

“Klim hier omhoog en Ik zal u laten zien wat hierna geschieden moet.”

De stem als het geluid van vele wateren

De stem wordt ook beschreven als het geluid van vele wateren.

Dat brengt ons bij de woorden van de Heer Jezus over de stromen van levend water:

“Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.”

Deze woorden worden vaak direct op de gelovige toegepast. Wanneer iemand de Heilige Geest ontvangt, kan er inderdaad een stroom van levend water uit zijn leven voortkomen.

Maar de context van Johannes 7 wijst allereerst naar de Heer Jezus Zelf. Hij spreekt daar over de Geest die zou komen nadat Hij verheerlijkt zou zijn. De Heer Jezus moest naar de Vader gaan, zodat de Trooster, de Heilige Geest, kon komen.

De oorsprong van het levende water ligt daarom bij Hem.

Ook het Oude Testament spreekt over water en de uitstorting van de Geest. Jesaja 44:3 zegt:

“Want Ik zal water gieten op het dorstige en stromen op het droge. Ik zal Mijn Geest op uw nageslacht gieten en Mijn zegen op uw nakomelingen.”

Daarom zegt de Heer Jezus:

“Wie dorst heeft, laat hij komen en nemen het levende water om niet.”

Wanneer iemand door de Geest overstroomt, kan dat levende water ook door zijn leven heen zichtbaar worden. Maar bij het spreken over het bruisen van vele wateren mogen we allereerst denken aan de Heer Jezus Zelf.

Alfa en Omega

De stem zegt:

“Ik ben de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste.”

Wanneer Johannes zich omdraait, ziet hij Iemand als de Zoon des mensen.

De beschrijving van deze Persoon vertoont opvallend veel overeenkomsten met de beschrijving van de Oude van dagen in Daniël 7.

Het witte haar, het vuur en de heerlijkheid komen terug. De Heer Jezus lijkt in Zijn verschijning op de Vader.

Dat doet denken aan Zijn eigen woorden:

“Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien.”

De beschrijving van de Oude van dagen in Daniël komt terug in de beschrijving van de Heer Jezus in Openbaring. Zo Vader, zo Zoon.

Het oordeel is aan de Zoon gegeven

Ook het oordeel vormt een belangrijke overeenkomst.

In Daniël 7 vindt het oordeel plaats bij de Oude van dagen. In Openbaring zien we dat de Zoon des mensen ogen heeft als een vuurvlam.

Het oordeel over deze wereld is aan de Zoon gegeven.

Wanneer de Bijbel spreekt over rechtvaardig oordeel, betekent dat dat God recht doet. De mens wordt uiteindelijk niet veroordeeld omdat hij toevallig meer of minder zonden heeft gedaan dan een ander. De kern van het probleem ligt bij de vraag wat iemand met de Heer Jezus en Zijn volbrachte werk heeft gedaan.

Daarom hoeft niemand zijn zonden als een onoverkomelijke muur tussen zichzelf en God te zien.

Hoe groot de schaamte ook is en wat iemand ook heeft gedaan, God heeft het zondeprobleem in Christus opgelost. Hij heeft onze zonden op Zijn Zoon gelegd.

Wanneer wij onze zonden belijden, leert 1 Johannes dat Hij rechtvaardig en getrouw is om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen.

Dat Hij rechtvaardig kan vergeven, heeft alles te maken met het feit dat de Heer Jezus het oordeel voor onze zonden heeft gedragen. Het zou onrechtvaardig zijn wanneer God zowel Christus als ons voor dezelfde zonde zou straffen.

Het kruis is genoeg.

Blinkend koper

De voeten van de Heer Jezus worden beschreven als blinkend koper, gloeiend gemaakt in een oven.

Dat brengt ons bij de tabernakel en het koper dat daar een belangrijke plaats innam. Het koper werd ook verbonden met het oordeel en het vuur.

Daarbij kunnen we denken aan het brandofferaltaar. Het offer werd daar gebracht en het oordeel over de zonde werd zichtbaar gedragen.

Het beeld van het koper herinnert eraan dat het oordeel werkelijk heeft plaatsgevonden.

Wanneer wij ons vertrouwen stellen op wat de Heer Jezus heeft gedaan, mogen we weten dat Hij het oordeel voor ons heeft gedragen.

Genoegdoening

In Israël moest iemand die iets had gestolen niet alleen teruggeven wat hij had weggenomen, maar ook een vergoeding betalen. Daarnaast was er sprake van een offer.

Wanneer volledig aan de eis was voldaan en er genoegdoening was gegeven, was er ruimte voor vergeving.

Daarin zien we iets van wat de Heer Jezus heeft gedaan.

God heeft Zijn Zoon naar deze wereld gezonden. Hij heeft volledig aan de eisen van de wet voldaan. Hij heeft de schuld gedragen en het oordeel ondergaan.

Daarom kan God vergeven.

Wanneer we naar onszelf kijken, vinden we niet altijd reden om daar blij van te worden. Maar wanneer we naar Christus kijken, weten we dat het in orde is.

Daar ligt onze zekerheid.

Het zwaard uit Zijn mond

Uit de mond van de Heer Jezus komt een tweesnijdend scherp zwaard.

Dit beeld is belangrijk voor het verdere verloop van Openbaring. In Openbaring 19 zien we een Ruiter op een wit paard met hetzelfde zwaard uit Zijn mond. Daarmee wordt duidelijk dat deze Ruiter de Heer Jezus is.

Het tweesnijdende zwaard is het Woord van God. Efeze 6 noemt het:

“het zwaard van de Geest, dat is het Woord van God.”

Daarmee komen we opnieuw bij Johannes 1:

“In het begin was het Woord.”

Alles is door het Woord gemaakt. God sprak en het was er.

Ook wanneer de Heer Jezus terugkomt, zal Zijn Woord beslissend zijn. Hij hoeft niet op menselijke wijze oorlog te voeren. Het Woord dat uit Zijn mond komt, spreekt het oordeel uit.

Het oordeel begint bij het huis van God

Opvallend is dat dit Woord nu al oordeelt over het huis van God.

Petrus schrijft:

“Het oordeel begint bij het huis van God.”

Dat zien we in de brieven aan de zeven gemeenten. De Heer Jezus spreekt uit wat goed is en wat niet goed is en roept de gemeenten op tot verandering.

Het Woord van God beoordeelt ons eigen leven. Hebreeën zegt dat het Woord scherper is dan enig tweesnijdend zwaard en doordringt tot de scheiding van ziel en geest, van gewrichten en merg. Het beoordeelt de overleggingen en gedachten van het hart.

Daarom begint het oordeel bij onszelf.

De woorden van de Heer Jezus:

“Oordeel niet, opdat u niet geoordeeld wordt”

betekenen niet dat er nooit onderscheid of beoordeling mag plaatsvinden. Hij waarschuwt tegen hypocriet oordeel. Eerst moet de balk uit ons eigen oog worden verwijderd. Daarna kunnen we helder genoeg zien om de splinter uit het oog van een ander te verwijderen.

Het oordeel moet dus eerst op onszelf worden toegepast.

Wanneer wij samen met Christus onder het oordeel van Gods Woord leren staan, kunnen wij uiteindelijk ook samen met Hem delen in het oordeel over deze wereld.

Koningen en priesters

Het toekomstbeeld van de gelovige bestaat niet alleen uit voor eeuwig in de hemel zingen.

De Bijbel spreekt erover dat wij met Christus zullen regeren. Wij worden koningen en priesters genoemd.

Ook hier zien we opnieuw dat wij delen in wat aan Christus is gegeven.

De Heer Jezus draagt een gouden gordel om Zijn borst. Dat verwijst naar Zijn koninklijke en priesterlijke heerlijkheid. Wij mogen delen in die positie, omdat wij met Hem verbonden zijn.

De Heer Jezus in Zijn volle heerlijkheid

Het beeld van de verheerlijkte Heer Jezus wordt steeds duidelijker. Zijn gezicht is als de zon die schijnt in haar kracht.

Dat brengt ons bij Ezechiël 43.

Ezechiël krijgt in hoofdstuk 40 tot en met 43 de bouwtekeningen van een tempel die tot op de dag van vandaag nog niet is gebouwd. Dat betekent dat deze tempel volgens deze profetische lijn nog in de toekomst ligt.

Eerder in Ezechiël zien we dat de heerlijkheid van God uit de tempel vertrekt. In hoofdstuk 43 keert die heerlijkheid terug.

Ezechiël 43:2 zegt:

“En zie, de heerlijkheid van de God van Israël kwam uit de richting van het oosten. Zijn geluid was als het bruisen van machtige wateren en de aarde werd verlicht vanwege Zijn heerlijkheid.”

Daar komen verschillende lijnen samen.

We hebben de stem van de Heer Jezus gehoord als het geluid van een bazuin en als het geluid van vele wateren. We hebben Zijn gezicht gezien als de zon die schijnt in haar kracht. We hebben Zijn ogen gezien als een vuurvlam en Zijn voeten als blinkend koper. En nu lezen we bij Ezechiël over de heerlijkheid van de God van Israël die komt met het geluid van machtige wateren en waarbij de aarde wordt verlicht.

Vanuit Openbaring weten we Wie deze heerlijkheid is: de Heer Jezus Christus.

Er komt een moment waarop de Heer Jezus terugkeert en Zijn heerlijkheid opnieuw zichtbaar wordt. Zijn licht zal over de wereld schijnen.

Daarmee komen we terug bij het centrale beeld van Openbaring 1:

De Heer Jezus is de Zoon van God.

Hij is de Alfa en de Omega.

Hij is de Eerste en de Laatste.

Hij is de Levende die dood geweest is en nu leeft tot in alle eeuwigheid.

Hij heeft de sleutels van het rijk van de dood en van de dood zelf.

Hij is Koning.

Hij is Priester.

Hij is het Hoofd.

En wij mogen, als Zijn lichaam, delen in wat Hij heeft ontvangen.

Daarom mogen we met vrijmoedigheid leven. Niet omdat wij zelf volmaakt zijn, maar omdat Hij het volbracht heeft. Niet omdat wij zelf het oordeel kunnen dragen, maar omdat Hij het oordeel voor ons gedragen heeft. En niet omdat wij zelf de weg naar God kunnen vinden, maar omdat Hij Zelf de Weg is.

Hij is de Alfa en de Omega.

De Eerste en de Laatste.

De Levende.

En Hij komt.

Auteur: Harmen Doornenbal 

 

 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.