De heidenvolken

Tijdens het duizendjarig vrederijk zullen de heidenvolken die zalig worden, wandelen in het licht van het Lam. Dit wordt beschreven in Openbaring 21:24-26 en vindt zijn profetische achtergrond in Jesaja 60:11. De volken zullen leven onder de rechtvaardige heerschappij van Christus en de koningen der aarde zullen hun heerlijkheid en rijkdom naar Jeruzalem brengen als eerbetoon aan de Koning der koningen.

Hoewel deze periode wordt gekenmerkt door vrede, gerechtigheid en de zichtbare tegenwoordigheid van Christus, is zij nog niet de volkomen en eeuwige toestand van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Er is nog sprake van volken die genezing nodig hebben. Openbaring 22:2 zegt immers dat de bladeren van de boom des levens zijn "tot genezing van de heidenvolken", een beeld dat aansluit bij Ezechiël 47:12, waar de bladeren van de bomen langs de levensrivier eveneens tot genezing dienen. Dit wijst erop dat het duizendjarig vrederijk wel een tijd van ongekende zegen is, maar nog niet de uiteindelijke volmaaktheid waarin alle gevolgen van de zonde definitief zijn verdwenen.

Openbaring 21:24-26 beschrijft hoe de heidenvolken in het licht van het Lam zullen wandelen en hoe de koningen der aarde hun heerlijkheid en eer de stad binnenbrengen. Deze heerlijkheid lijkt symbolisch tot uitdrukking te komen in de bouwmaterialen van het hemels Jeruzalem: het zuivere goud, de kostbare edelstenen en de parels. Deze kostbaarheden weerspiegelen de heerlijkheid die God aan de volken heeft gegeven en die uiteindelijk geheel aan Hem wordt toegewijd.

Vanuit deze gedachte is het mogelijk dat hierin ook een verklaring ligt voor het feit dat Johannes de bruid, de vrouw van het Lam, pas aan het einde van het duizendjarig vrederijk in haar volle heerlijkheid ziet. Eerst worden de volken onder de heerschappij van Christus verzameld en brengen zij hun heerlijkheid naar de heilige stad. Daarna wordt het heilige Jeruzalem in zijn volkomen luister geopenbaard als de bruid.

Deze uitleg vraagt om terughoudendheid, omdat de Schrift niet expliciet zegt dat dit de reden is voor de volgorde van Johannes' visioenen. Toch vormt zij een Bijbels verdedigbare mogelijkheid die recht doet aan de samenhang tussen Jesaja 60, Ezechiël 47 en Openbaring 21 en 22.