Abraham en het duizendjarig rijk

God sloot met Abraham een eeuwig verbond. Daarbij beloofde Hij hem een land, een talrijk nageslacht en een wereldwijde zegen (Genesis 12:1-3; 13:14-17; 15:18-21; 17:1-8). Deze beloften zijn onvoorwaardelijk. God verbond Zichzelf eraan en staat garant voor de vervulling.

Toch roept dit een belangrijke vraag op. Abraham heeft tijdens zijn leven nooit de volledige vervulling van deze beloften gezien. Hij bezat in Kanaän slechts een grafspelonk (Genesis 23:19-20; Handelingen 7:5). Wanneer zullen Gods beloften dan werkelijk worden vervuld?

Hebreeën 11 geeft een opmerkelijke verklaring. 

Door het geloof is hij als vreemdeling in het land van de belofte gaan wonen als in een vreemd land, en heeft hij in tenten gewoond met Izak en Jakob, die mede-erfgenamen waren van dezelfde belofte.” (Hebreeën 11:9)

Hoewel Kanaän het beloofde land was, leefde Abraham er als vreemdeling. Hij bouwde geen stad en stichtte geen koninkrijk. Hij wist dat Gods beloften verder reikten dan zijn eigen leven.

De reden wordt direct daarna gegeven.

Want hij verwachtte de stad die fundamenten heeft, waarvan God de Ontwerper en Bouwer is.” (Hebreeën 11:10)

Abraham keek niet alleen naar een stukje grond in Kanaän. Zijn geloof was gericht op een stad die God Zelf bouwt. Niet een stad door mensenhanden gemaakt, maar een hemelse stad.

Even verder zegt de schrijver:

Maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels vaderland. Daarom schaamt God Zich niet voor hen om hun God genoemd te worden, want Hij had voor hen een stad gereedgemaakt.” (Hebreeën 11:16)

Deze stad is dezelfde stad die Johannes later ziet in Openbaring 21 het heilige Jeruzalem, dat uit de hemel van God neerdaalt.

Soms wordt gedacht dat de hemelse stad de aardse beloften aan Abraham vervangt. De Schrift zegt echter iets anders.

God beloofde Abraham letterlijk het land Kanaän “tot een eeuwig bezit” (Genesis 17:8). God kan Zijn eigen verbond niet verbreken.

Paulus schrijft daarom:

Want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk.” (Romeinen 11:29)

Israël zal daarom hersteld worden. De afgebroken takken zullen opnieuw op hun eigen olijfboom worden geënt (Romeinen 11:23-27). Zo laat Paulus zien dat Gods verbond met Israël niet is vervallen.

Het duizendjarig rijk is de periode waarin alle oudtestamentische beloften letterlijk werkelijkheid worden.

De Messias regeert vanuit Jeruzalem (Jesaja 2:1-4). Israël woont veilig in het beloofde land (Ezechiël 37:21-28). David ontvangt zijn beloofde koningschap in de Messias (Jeremia 33:14-17). De volken trekken op naar Jeruzalem om de HEERE te aanbidden (Zacharia 14:16-17). Dan wordt zichtbaar wat God eeuwen eerder aan Abraham beloofde.

Openbaring 21 beschrijft de heilige stad die uit de hemel neerdaalt. Juist deze stad verwachtte Abraham. Zij is niet door mensen gebouwd, maar door God Zelf. De stad komt uit de hemel, maar krijgt haar plaats in Gods handelen met de aarde. Zo worden hemel en aarde met elkaar verbonden.

Abraham zag dus verder dan Kanaän alleen. Hij verwachtte de hemelse hoofdstad van Gods Koninkrijk.

De opstanding is noodzakelijk

Abraham mag zelf delen in de vervulling. Jezus leert dat Abraham leeft voor God (Lukas 20:37-38).

Daarom spreekt Hebreeën 11 ook over de opstanding:

En zij allen hebben, hoewel zij door het geloof een goed getuigenis gekregen hebben, de vervulling van de belofte niet verkregen, omdat God met het oog op ons iets beters voorzien had, zodat zij zonder ons niet tot de volmaaktheid zouden komen.” (Hebreeën 11:39-40)

De aartsvaders ontvangen de beloften pas na hun opstanding. Dan kunnen zij daadwerkelijk wonen in het land dat God hun gezworen heeft te geven.

Maak jouw eigen website met JouwWeb