Introductie Openbaring

Gepubliceerd op 29 september 2026 om 07:26

Het Bijbelboek Openbaring is een ingewikkeld boek. Het bevat beelden van beesten, draken en allerlei gebeurtenissen die niet altijd gemakkelijk te begrijpen zijn. Toch wil ik met dit Bijbelboek beginnen, omdat juist daarin de plannen van God op een bijzondere manier zichtbaar worden. In de tijd waarin wij leven, is het belangrijk om zicht te krijgen op deze plannen, zodat we de gebeurtenissen om ons heen beter kunnen begrijpen en in het juiste perspectief kunnen plaatsen.

Daarom wil ik beginnen bij Openbaring 1 en vervolgens stap voor stap door het hele Bijbelboek heen gaan.

In Openbaring 1:1-8 lezen we over de openbaring van Jezus Christus. God heeft deze openbaring aan Hem gegeven om Zijn dienstknechten te laten zien wat spoedig moet geschieden. Johannes heeft daarvan getuigd en schrijft vervolgens aan de zeven gemeenten in Asia. Hij spreekt over Jezus Christus als de getrouwe Getuige, de Eerstgeborene uit de doden en de Vorst van de koningen van de aarde.

Vervolgens lezen we dat Christus ons heeft liefgehad, ons van onze zonden heeft gewassen in Zijn bloed en ons gemaakt heeft tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader.

Daarna volgt een belangrijke aankondiging:

“Zie, Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien, ook zij die Hem doorstoken hebben. En alle stammen van de aarde zullen rouw bedrijven over Hem.”

Het hoofdstuk eindigt met de woorden:

“Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heere, Die is, Die was en Die komt, de Almachtige.”

In de Basis Bijbel wordt “Ik ben” met hoofdletters geschreven, hierdoor wordt direct duidelijk dat deze woorden betrekking hebben op de Heere Jezus Christus. Hij is de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde.

Dat brengt ons terug naar het begin van de Bijbel.

Genesis begint met de woorden:

“In het begin schiep God de hemel en de aarde.”

Johannes begint zijn evangelie op een vergelijkbare manier:

“In het begin was het Woord, en het Woord was bij God en het Woord was God.”

Johannes maakt duidelijk dat alle dingen door het Woord zijn geworden. Zonder Hem is geen enkel ding geworden dat geworden is.

Wanneer we teruggaan naar Genesis, zien we hoe God de hemel en de aarde schept door te spreken. God spreekt en het is er. Zonder dat spreken, zonder dat Woord, zou er uiteindelijk niets zijn geworden.

Vanaf het allereerste begin van de Bijbel wordt daarmee duidelijk dat God Zichzelf niet uitsluitend in het enkelvoud openbaart. Dit wordt bijzonder zichtbaar bij de schepping van de mens. Nadat God de mens uit het stof van de aarde heeft gevormd en hem de levensadem heeft gegeven, zegt Hij:

“Laat Ons mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis.”

God spreekt hier in het meervoud.

Ook zien we een belangrijk verschil in de beschrijving van de schepping. Van de verschillende onderdelen van de schepping wordt gezegd dat het goed was. Maar nadat God de mens heeft gemaakt, staat er:

“En zie, het was zeer goed.”

De mens was naar het beeld van God geschapen. Door de zonde is dat beeld echter aangetast. De mens verloor een groot deel van de heerlijkheid waarin hij geschapen was. De zonde kreeg steeds meer invloed en uiteindelijk lezen we zelfs dat het de HEERE berouwde dat Hij de mens op de aarde gemaakt had.

God besloot vervolgens om met Noach en zijn nageslacht verder te gaan. Na de zondvloed kregen de mensen de opdracht om zich over de aarde te verspreiden. Zij deden echter het tegenovergestelde. Zij bleven bij elkaar wonen, wilden zichzelf een naam maken en bouwden een toren.

De mens wilde groot, machtig en sterk worden.

God maakte hier een einde aan door de spraak te verwarren. De mensen konden elkaar niet meer verstaan en konden daardoor hun bouwwerk niet verder voltooien. Vervolgens werden de mensen over de aarde verspreid en ontstonden de verschillende volken.

Wanneer we de lijn van de Bijbel verder volgen, komen we bij Abraham.

God wordt de God van Abraham, Izak en Jakob. Aan Abraham wordt beloofd dat alle volken van de aarde door zijn nageslacht gezegend zullen worden.

Jakob krijgt later de naam Israël. Zijn twaalf zonen worden de stamvaders van de twaalf stammen van Israël.

Door een hongersnood komt het volk uiteindelijk in Egypte terecht. Aanvankelijk wordt er goed voor hen gezorgd, maar na verloop van tijd verandert hun situatie. Israël wordt onderdrukt en uitgebuit. God hoort hun roep en ziet hun ellende.

Door Mozes bevrijdt God Zijn volk uit Egypte.

Wanneer God vanuit de brandende braamstruik tot Mozes spreekt, vraagt Mozes hoe hij de Naam van God aan Israël moet bekendmaken. God antwoordt:

“Ik ben.”

Mozes moet tegen Israël zeggen:

“Ik ben heeft mij tot u gezonden.”

Vanaf dat moment wordt duidelijk dat Israël zijn God kent als de “Ik ben”.

Dit gegeven is belangrijk voor het verdere verloop van de Bijbelse geschiedenis.

Na de bevrijding uit Egypte sluit God een verbond met Israël. Hij gaat een bijzondere relatie met het volk aan, die in de Bijbel ook in beelden van een huwelijk wordt beschreven. God belooft Zijn trouw en bescherming. Israël antwoordt:

“Wij zullen alles doen wat de HEERE gesproken heeft.”

Maar vrijwel onmiddellijk blijkt dat Israël deze belofte niet kan waarmaken. De inkt van het verbond is als het ware nog niet opgedroogd of het volk maakt een gouden kalf.

Het eerste gebod wordt daarmee al overtreden:

“U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.”

Dit blijft geen eenmalig incident. In de verdere geschiedenis van Israël zien we steeds opnieuw dat het volk achter de afgoden van de omliggende volken aangaat. Israël blijft zich afkeren van de HEERE en wordt daarmee overspelig.

Uiteindelijk wordt de situatie zo ernstig dat God het tienstammenrijk Israël een echtscheidingsbrief geeft.

Daarmee komt er een einde aan de relatie tussen God en het tienstammenrijk als vrouw.

Toch bestond Israël uit twaalf stammen. Naast het tienstammenrijk waren er Juda en Benjamin, het tweestammenrijk.

Het is opvallend dat God vervolgens met Juda en Benjamin verdergaat.

Dit betekent niet dat Juda beter was dan het tienstammenrijk. Integendeel. Ook Juda week van God af en wordt zelfs verweten dat het verder ging dan Israël in zijn ontrouw.

Toch gaat God met Juda verder.

Ook Juda gaat uiteindelijk in ballingschap. Na zeventig jaar mag het volk echter terugkeren. Jeruzalem en de tempel mogen opnieuw worden opgebouwd.

De reden hiervoor ligt in het plan dat God al eerder aan Abraham had bekendgemaakt. Alle volken van de aarde zouden door zijn nageslacht gezegend worden.

Om deze belofte te vervullen, moest de Messias geboren worden. Die Messias zou uit de stam van Juda voortkomen.

Hier wordt het hart van Gods handelen zichtbaar. Enerzijds is er een duidelijke grens aan de zonde en de ontrouw van Israël. Anderzijds zorgt God er tegelijkertijd voor dat Zijn beloften en Zijn plan doorgaan.

In de volheid van de tijd wordt Jezus Christus geboren.

Tijdens Zijn aardse bediening stelt Jezus Zich meerdere malen voor met de woorden “Ik ben”.

Hij zegt:

“Ik ben het Brood des levens.”

“Ik ben het Licht der wereld.”

“Ik ben de Deur.”

“Ik ben de Goede Herder.”

“Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.”

Steeds opnieuw gebruikt Jezus de woorden “Ik ben”.

De leiders van Israël begrepen wat Hij daarmee bedoelde. Zij begrepen dat Jezus Zichzelf daarmee gelijkstelde aan God.

Uiteindelijk wordt Jezus overgeleverd aan de Romeinse soldaten.

Wanneer zij Hem zoeken en zeggen dat zij Jezus de Nazarener zoeken, antwoordt Hij:

“Ik ben.”

Op dat moment deinzen zij achteruit en vallen op de grond.

Hier wordt zichtbaar dat Jezus Christus niet slechts een mens is. Hij is werkelijk mens geworden, maar tegelijkertijd is Hij God Zelf. Hij is de Almachtige.

Zijn almacht blijkt echter niet alleen uit Zijn vermogen om Zijn vijanden achterover te laten vallen. Juist het tegenovergestelde is bijzonder: Hij gebruikt Zijn almacht niet om aan het kruis te ontkomen.

De Almachtige gebruikt Zijn macht om lief te hebben.

Alles wordt gedragen door de kracht van Zijn Woord. De hele schepping en de wetmatigheden waardoor zij functioneert, bestaan omdat Hij ze draagt. Hij had Zichzelf aan het kruis kunnen bevrijden, maar Hij doet dat niet.

Hij blijft aan het kruis omdat Hij wil sterven.

Daarmee komen we bij de reden van Zijn eerste komst naar de aarde.

Jezus zegt dat Hij gekomen is voor de verloren schapen van het huis van Israël.

Hier komen we opnieuw terug bij het tienstammenrijk en de echtscheidingsbrief.

Deuteronomium 24 bevat een belangrijke bepaling over een vrouw die door haar man is weggezonden en vervolgens met een andere man trouwt. Wanneer de tweede man sterft, mag de eerste man haar niet opnieuw tot vrouw nemen.

Deze bepaling was door God Zelf gegeven.

Dat betekent dat er binnen het oorspronkelijke huwelijksbeeld geen eenvoudige weg was om het tienstammenrijk opnieuw als vrouw aan te nemen.

Juist daarom krijgt het sterven van Jezus Christus een bijzondere betekenis.

Hij is de “Ik ben”, de God met Wie Israël verbonden was. Door Zijn dood ontstaat er een nieuwe situatie.

Het tienstammenrijk kan niet eenvoudig worden teruggebracht in de oude huwelijksrelatie. Door Christus wordt echter een nieuwe weg geopend.

Daarmee komt Israël in een positie die vergelijkbaar is met die van de heidenen.

Ook wij leefden zonder God. Ook wij waren van Hem afgedwaald en dienden afgoden. Maar door genade heeft God in Christus een nieuwe weg geopend.

Jezus Christus heeft onze zonden gedragen en de wet volledig vervuld. Door Zijn dood en opstanding is Hij de verbinding geworden tussen God en de mens.

Door het geloof in Hem mogen wij delen in Zijn dood en opstanding en ontvangen wij nieuw leven.

Daarom wordt de gelovige in de Bijbel voorgesteld als onderdeel van het lichaam van Christus.

Dit is een belangrijk onderscheid.

In Efeze 5 gebruikt Paulus het beeld van een hoofd en een lichaam en zegt hij dat wij vlees van Christus' vlees en been van Zijn been zijn. Het geheimenis waarover Paulus spreekt, heeft betrekking op Christus en de gemeente.

De gemeente wordt daarmee voorgesteld als Zijn lichaam.

Wanneer wij dit verbinden met Deuteronomium 24, wordt duidelijk waarom dit onderscheid van belang is. De gemeente is niet eenvoudigweg de teruggekeerde vrouw uit het oude verbond. Door het werk van Christus is een nieuwe werkelijkheid ontstaan.

Door het geloof in Christus worden wij met Hem verbonden en ontvangen wij deel aan Zijn dood, Zijn opstanding en Zijn leven.

Wij zijn één lichaam met Hem.

Dat is geen toekomstige werkelijkheid. Dat is nu al zo.

In een huwelijk kunnen man en vrouw proberen volledig één te zijn, maar zij blijven twee afzonderlijke personen. In Christus is er echter sprake van een veel diepere verbondenheid. Jood en heiden zijn in Christus samen tot één nieuwe mens gemaakt.

Daarom is het belangrijk om te beseffen dat wij als gelovigen lichaam zijn.

Dit onderscheid wordt ook belangrijk wanneer we verdergaan naar het Bijbelboek Openbaring.

Alles wat Christus toekomt, heeft namelijk gevolgen voor degenen die met Hem verbonden zijn.

In Openbaring 1 lezen we bijvoorbeeld dat Hij ons gemaakt heeft tot koningen en priesters voor God.

Ook dit sluit aan bij wat we in de Hebreeënbrief lezen over Christus. Hij is Hogepriester naar de ordening van Melchizedek. Melchizedek was zowel koning als priester.

Door het geloof in Christus krijgen wij deel aan wat Hem toekomt.

Het koningschap en priesterschap waren in eerste instantie aan Israël beloofd. Israël zou een koninkrijk van priesters zijn.

Ook in Handelingen zien we deze ontwikkeling.

Wanneer Petrus in Handelingen 2 zijn eerste preek houdt, richt hij zich tot de Joden. In Handelingen 3, na de genezing van de kreupele man, roept Petrus het volk op tot bekering, zodat de tijden van verkwikking zouden kunnen aanbreken.

Deze tijden van verkwikking hebben betrekking op de komst van de Heere Jezus en het herstel dat daarmee verbonden is. Het gaat om het moment waarop Christus alles recht zal zetten en Israël in vrede in zijn eigen land zal kunnen wonen.

Wanneer Israël zich op dat moment als volk tot de Heere Jezus had gewend, zou de vervulling van deze beloften veel eerder werkelijkheid zijn geworden. Dat gebeurde echter niet.

Daardoor werd de weg naar de heidenen geopend.

Met de uitstorting van de Heilige Geest wordt zichtbaar dat ook de heidenen deel krijgen aan het heil. Romeinen 11 gebruikt hiervoor het beeld van de olijfboom. De natuurlijke takken zijn afgebroken en wilde takken zijn ertussen geënt.

Maar Paulus maakt ook duidelijk dat God de oorspronkelijke takken opnieuw kan enten.

Dat wijst vooruit naar een toekomst waarin God Zijn beloften aan Israël alsnog zal vervullen.

Daarom is het belangrijk om de profetieën van de Schrift serieus te nemen.

Wanneer we kijken naar wat er in de wereld gebeurt, helpt het ons om Gods plan te kennen. Dan kunnen we gebeurtenissen beter plaatsen.

Jezus gebruikt Zelf het beeld van de vijgenboom. Wanneer de takken uitlopen en de bladeren verschijnen, weet je dat de zomer nabij is.

Zo lezen we in Openbaring 1:

“De tijd is nabij.”

Wij leven in een bijzondere tijd. De Bijbel roept ons op om waakzaam te zijn en uit te zien naar de komst van de Heere Jezus.

Daarbij speelt Israël een belangrijke plaats in de profetische lijn.

Openbaring 1:7 zegt:

“Zie, Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien, ook zij die Hem doorstoken hebben.”

Vervolgens lezen we:

“En alle stammen van de aarde zullen rouw bedrijven over Hem.”

Het Griekse woord dat hier met “aarde” wordt vertaald, kan ook de betekenis van “land” hebben. Daarom wordt deze tekst door sommigen vertalingen vertaald met de stammen van het land (Israël).

Dat is van belang omdat Openbaring hier niet alleen spreekt over de heidense volken, maar ook specifiek over degenen die Hem doorstoken hebben.

Zacharia 12 sluit hierbij aan. Daar wordt voorzegt dat zij zullen zien op Hem Die zij doorstoken hebben en over Hem rouw zullen bedrijven.

Deze rouw wijst op een verandering van het hart.

De volken die tegen God en tegen Zijn Gezalfde staan, zullen met de werkelijkheid van Zijn komst worden geconfronteerd. Israël zal uiteindelijk erkennen Wie Jezus Christus is.

Daarmee begint een grote verandering in Gods handelen met Israël.

Daarom is het zo belangrijk om de profetieën in de Schrift serieus te nemen.

Wanneer we kijken naar de ontwikkelingen in de wereld, de gebeurtenissen rondom Israël en de toenemende spanningen en haat die zichtbaar zijn, moeten we deze gebeurtenissen niet los zien van wat de Bijbel ons leert.

De Bijbel geeft ons geen aanleiding om in paniek te raken. Integendeel: wanneer we Gods plan kennen, kunnen we gebeurtenissen beter plaatsen.

Het Bijbelboek Openbaring is daarbij geen verzameling willekeurige of chaotische gebeurtenissen. Het is een openbaring van Jezus Christus waarin Gods plan stap voor stap wordt ontvouwd.

Het loopt God niet uit de hand.

Wat er gebeurt, past binnen Zijn plan en uiteindelijk zal gebeuren wat Hij heeft voorzegt.

Daarom wil ik in de komende tijd verdergaan met het Bijbelboek Openbaring. Stap voor stap willen we bekijken wat Johannes heeft gezien, wat er in het boek wordt aangekondigd en hoe de verschillende profetieën met elkaar samenhangen.

Het doel is niet om allerlei losse gebeurtenissen naast elkaar te zetten, maar om de lijn van Gods plan te ontdekken.

Want wanneer we begrijpen wat God heeft voorzegd, kunnen we ook beter begrijpen wat er in de wereld gebeurt.

Auteur: Harmen Doornenbal 


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.