Van Kubus naar Tent
Tijdens het duizendjarig rijk heeft het hemelse Jeruzalem de vorm van een kubus. Deze vorm is niet willekeurig, maar verwijst naar de volmaakte harmonie tussen hemel en aarde. De lengte en breedte spreken van een aardse dimensie, terwijl de hoogte de hemelse dimensie benadrukt. Beide werelden functioneren dan in volledige overeenstemming met elkaar. De bede die de Heere Jezus Zijn discipelen leerde bidden, wordt in die tijd zichtbaar werkelijkheid: “Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, zoals in de hemel, zo ook op de aarde.” (Mattheüs 6:10).
Vanuit het hemelse Jeruzalem regeert Christus samen met Zijn heiligen over de aarde. Het hemelse en het aardse Jeruzalem zijn dan niet twee losstaande werkelijkheden, maar vormen samen één Goddelijk geheel. Het aardse Jeruzalem wordt steeds meer een afspiegeling van de hemelse werkelijkheid. Zacharia profeteert dat de stad niet langer door muren begrensd zal zijn, omdat de HEERE Zelf een vurige muur rondom haar zal zijn en Zijn heerlijkheid in haar midden zal wonen (Zacharia 2:1-5). De bescherming van God vervangt de menselijke verdedigingswerken.
Ook Jesaja beschrijft deze ontwikkeling. Hij roept Jeruzalem op de plaats van haar tent te vergroten en de tentdoeken wijd uit te spannen (Jesaja 54:1-5). Dit is meer dan een beeld van groei; het laat zien dat Gods woonplaats zich steeds verder uitbreidt. De tent wordt groter, omdat Gods Koninkrijk steeds meer de aarde vervult. De hemelse werkelijkheid krijgt steeds meer gestalte op aarde.
In deze periode is het hemelse Jeruzalem nog duidelijk herkenbaar als de kubus die Johannes beschrijft. De stad vormt het regeringscentrum van Christus en is de plaats waar Zijn heerlijkheid zichtbaar woont. Zij die geschreven staan in het Boek des Levens van het Lam mogen haar binnengaan en delen in de gemeenschap met God. De kubus herinnert bovendien aan het Allerheiligste van de tabernakel en de tempel, dat eveneens een kubusvorm had. Daarmee wordt duidelijk dat het hemelse Jeruzalem de volmaakte vervulling is van alles waar de tabernakel en de tempel slechts een voorafschaduwing van waren: Gods tegenwoordigheid woont blijvend te midden van Zijn volk.
Aan het einde van het duizendjarig rijk wordt de satan nog eenmaal losgelaten. Hij verleidt de volken uit de vier hoeken van de aarde en verzamelt hen voor de laatste opstand tegen God. Zij trekken op tegen de legerplaats van de heiligen en de geliefde stad. Maar hun opstand duurt slechts een ogenblik. Vuur daalt neer uit de hemel en verteert hen, waarna de duivel voorgoed in de poel van vuur wordt geworpen (Openbaring 20:7-10). Daarmee komt definitief een einde aan alle macht van de zonde, de dood en de tegenstander.
Dan breekt een geheel nieuwe fase aan. Johannes ziet een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbijgegaan (Openbaring 21:1). Vervolgens ziet hij de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen, gereedgemaakt als een bruid die voor haar man versierd is. Maar wat Johannes vervolgens hoort, is minstens zo belangrijk als wat hij ziet: “Zie, de tent van God is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen.” (Openbaring 21:3).
Dit detail verdient bijzondere aandacht. Johannes ziet de heilige stad, maar hoort spreken over de tent van God. Daarmee laat de Schrift zien dat Gods woonplaats een nieuwe gestalte heeft aangenomen. Tijdens het duizendjarig rijk stond de kubus centraal, als uitdrukking van de verbinding tussen hemel en aarde en van Gods regerende aanwezigheid. Op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde ligt de nadruk niet langer op de kubus, maar op de tent: de eeuwige tabernakel van God onder de mensen.
Hier bereikt de geschiedenis van Gods wonen onder de mensen haar hoogtepunt. Wat begon met de tabernakel in de woestijn, vervolgens zichtbaar werd in de tempel, daarna zijn volheid vond in het hemelse Jeruzalem tijdens het duizendjarig rijk, mondt uiteindelijk uit in Gods eeuwige woning op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. De tent is volledig uitgespreid. Er is geen scheiding meer tussen God en de mens. Zijn heerlijkheid vervult de gehele nieuwe schepping.
Zo laat de Schrift een voortdurende ontwikkeling zien. Eerst is er de tabernakel, daarna de tempel, vervolgens de kubusvormige Stad van het Lam tijdens het duizendjarig rijk en tenslotte de tent van God op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Het einddoel is niet slechts een stad van goud, maar een schepping waarin God Zelf voor eeuwig bij de mensen woont. Daarom klinkt aan het einde van de Bijbel niet alleen de beschrijving van een stad, maar vooral de heerlijke belofte: “Zie, de tent van God is bij de mensen.” Dan is Gods plan voltooid en is werkelijk alles nieuw geworden.
Maak jouw eigen website met JouwWeb