De stad met fundamenten

"De muur van de stad had twaalf fundamenten, en daarop de twaalf namen van de twaalf apostelen van het Lam." (Openbaring 21:14)

De Bijbel eindigt met een indrukwekkend beeld van het hemelse Jeruzalem: de heilige stad die uit de hemel neerdaalt. Opvallend is dat de muur van deze stad twaalf fundamenten heeft, waarop de namen van de twaalf apostelen van het Lam zijn geschreven. Daarmee wordt duidelijk dat deze stad gebouwd is op het getuigenis van Christus, zoals dat door Zijn apostelen is verkondigd.

Het verlangen naar deze stad begint echter niet pas in het boek Openbaring. Al tijdens zijn leven keek Abraham ernaar uit. De schrijver van de Hebreeënbrief zegt:

"Door het geloof is hij als vreemdeling gaan wonen in het land van de belofte... Want hij verwachtte de stad die fundamenten heeft, waarvan God de Ontwerper en Bouwer is." (Hebreeën 11:9-10)

Hier legt de schrijver een duidelijke verbinding tussen Gods belofte aan Abraham en de toekomstige stad met fundamenten. Hoewel Abraham als vreemdeling in Kanaän leefde, wist hij dat Gods belofte verder reikte dan zijn aardse leven. God had immers gezegd:

"Heel het land dat u ziet, zal Ik voor eeuwig aan u en aan uw nageslacht geven." (Genesis 13:15)

Paulus verklaart vervolgens wie dat beloofde 'nageslacht' uiteindelijk is:

"Welnu, de beloften zijn aan Abraham en aan zijn Nageslacht gedaan. Er staat niet: 'en aan de nageslachten', alsof het om velen ging, maar om Eén: 'en aan uw Nageslacht'; dat is Christus." (Galaten 3:16)

De uiteindelijke erfgenaam van Gods belofte is dus Christus. Het land en het eeuwige koninkrijk worden aan Hem gegeven, en daarmee ook aan allen die met Hem verbonden zijn.

Dat is het wonder van het evangelie. Door het werk van de Heere Jezus zijn gelovigen uit Joden en heidenen samengebracht tot één nieuw mens (Efeze 2:15). Paulus schrijft daarom:

"En als u van Christus bent, dan bent u Abrahams nageslacht en overeenkomstig de belofte erfgenamen." (Galaten 3:29)

Wie in Christus is, deelt dus in de belofte die God ooit aan Abraham gaf.

Daarom zegt de schrijver van de Hebreeënbrief ook dat wij reeds "genaderd zijn tot de berg Sion en de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem" (Hebreeën 12:22). Tegelijk leven wij nog in verwachting, want "wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomstige" (Hebreeën 13:14).

Deze stad rust op een stevig fundament. De namen van de apostelen staan op haar fundamenten geschreven (Openbaring 21:14), en Paulus zegt dat ook de gemeente is gebouwd "op het fundament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus Zelf de hoeksteen is" (Efeze 2:20). Zo worden ook wij "mede gebouwd tot een woning van God, in de Geest" (Efeze 2:22).

Ons burgerschap ligt daarom niet in deze wereld, maar in de hemel (Filippenzen 3:20). Wij zien uit naar de dag waarop wij het hemels Jeruzalem zullen binnengaan. Niet op grond van onze eigen verdiensten, maar omdat onze namen geschreven staan in het boek des levens van het Lam. Van die stad staat geschreven:

"Daar zal niet inkomen iets wat onrein is... maar alleen zij die geschreven zijn in het boek des levens van het Lam." (Openbaring 21:27)

Zoals Abraham uitzag naar de stad met fundamenten, zo mogen ook wij vol verwachting uitzien naar de vervulling van Gods beloften. De stad waarvan God Zelf de Bouwer is, zal de eeuwige woonplaats zijn van Christus en allen die Hem toebehoren. In Hem zijn wij erfgenamen geworden van dezelfde belofte en mogen wij hopen op de dag dat wij als hemelburgers deze stad zullen binnengaan om voor altijd bij de Heer te wonen.